Plezier

Het mooiste, gretigste licht is het licht dat je kan vangen en op je gezicht mee naar huis kunt nemen.’  ©Soli 2018

Nog niet zo lang geleden, keek ik het nieuwe gewas zowat uit de grond, zo verlangend naar de lente na een lange winter. Nu weet ik niet waar ik kijken moet. Het is een groot bont feest in en om de tuin.

Het gras staat vol met madelief en ereprijs. Het speenkruid bloeit in duizend zonnen. En heeft bezoek van een bladwesp en een wilde bij.
De pioenroos steekt haar rode blad al boven de grond en is de schuilplaats van een beregende bloemvlieg.    ~ klik ~

De pol bosanemoontjes uit de tuin van mijn moeder doet het goed. De kleine veldkers heeft zich in de pot met tijm genesteld, het is zo’n fotogeniek bloemetje. Het longkruid krijgt steeds meer bloemen en maakt al meer blad. In de ribes zoemt het van jewelste. Deze honingbij zat een halve seconde langer voor mijn neus dan de rest. En de dotterbloemen, de dotterbloemen groeien bijna uit de vijver.     ~ klik ~


In de ranonkelstruik vond ik een zuringrandwants (Coreus marginatus) uit de familie randwantsen. Hij zuigt plantensappen en wacht op de bessen. De wilde viooltjes bloeien en in de gecultiveerde viool zat een spin goed op haar plek totdat ik haar stoorde. De mug bleek onverstoord.
Ik houd van blauwe druifjes, vooral als ze nog strak in de knop zitten. Er is al zoveel.     ~ klik ~


De temperaturen wisselen nog, het regent af en toe met bakken uit de hemel, maar het is onmiskenbaar lente. En de lente maakt haast.

☘️

_

Advertenties

Wachten op de lente

Het is een lange winter geweest die van bijna niks voorstellend naar een koude vorstperiode is overgegaan. We zijn wel weer toe aan een echte lente. Het is ook nog te kil voor de meeste vliegende insecten, maar daar trekken de kraamwebspinnen zich niks van aan. Ik zie ze op meerdere plekken in de tuin, op de hyacinten, op de lavendel, rustig wachtend op een opwarmende zon die een prooi laat aanvliegen. Wat een geduld…  🕷

☘️

2018 – Macrofotografie – Kraamwebspin – Pisauridae – Lavendel – Koud – Lente – Wachten – Panasonic Lumix DMC-FZ200 – Raynox DCR-250 – Soli

_

Systeem

   Sy ’t haar gebalde buik
   die afgrond toevertrou
   en kan nie terugkatrol
   maar moet al sneller sak
   al radeloser tol
   tot waar die besemstruik
   in oker skuim oopvou.
Zij heeft haar gebalde buik
de afgrond toevertrouwd
en kan niet terugkatrollen
maar moet al sneller zakken
steeds radelozer tol
tot waar de bezemstruik
in oker schuim ontvouwt.
   Met lig wat sy ontlas
   ryg sy die blare vas
   en koppel tak aan tak.
   Sy span vanaf die spil
   tien speke in ’n straal
   en trek haar dun patroon
   – die silwer dekagoon –
   in spreiende spiraal
   tot alles snaarstyf tril.
Met licht dat zij ontlast
rijgt zij de bladeren vast
en koppelt tak aan tak.
Zij spant vanaf de spil
tien spaken in een straal
en trekt haar fijn patroon
– de zilveren decagoon –
in uitbreidend spiraal
tot alles snaarvast trilt.
   Sy strik die laatste knoop
   en krimp bedees opsy,
   geledig deur die vlyt.
Zij strikt de laatste knoop
en wijkt bedeesd opzij
geledigd door de vlijt.
   Kyk – op haar rug die kruis
   van barmhartigheid
   wat elke argwaan stil.
Kijk – op haar rug het kruis
van barmhartigheid
dat elke argwaan stilt.
   Maar as die raamwerk ril
   sal sy elektries gly –
   ’n aarsellose oop
   agtvingerige vuis.
maar als het raamwerk rilt
zal zij elektrisch glijden –
’n aarzelloze open
achtvingerige vuist.








   Gedicht Sisteem van Elisabeth Eybers, Balance, Amsterdam, Querido 1963
   Vertaling Dianne Soli 2017













Broedzorg

In 2 foto’s.
De tandkaak, Enoplognatha, behoort tot de kogelspinnen (theridiidae). Deze spinnen (3 tot 6 mm) hebben een vrij typerend kogelvormig lichaam dat het grootste deel van de organen bevat. De meest voorkomende kleuren van het achterlijf zijn geel en wit. Vaak zijn er twee rode strepen aanwezig; soms is het achterlijf geheel rood.
Je vindt de tandkaken in lage vegetatie zonder uitgebreid vangweb, maar met enkele gesponnen draden. Die werpt de spin eerst vanaf een veilige afstand over haar prooi, want ze kan zo zelfs grote wespen aan. De gifklier van de spin ligt inwendig aan de voorzijde van het kopborststuk en wordt bediend door twee gedraaide spieren die het gif met grote kracht in de holle kaken en vervolgens in de prooi brengen.
Kogelspinnen leggen hun eieren in ronde, zijden eizakjes, die worden bewaakt door het vrouwtje. De eitjes worden in een beschermende cocon geplaatst en meestal verborgen, zoals hier, in een kommetje van een ingesponnen blad. Broedzorg komt bij spinnen veel voor.
Dit is de gewone of de vergeten tandkaak. Determinatie is alleen mogelijk door het onderzoeken van de genitaliën.
Spinnen in deze familie zijn meestal ’s nachts actiever. Tijdens daglicht verbergen ze zich in omgekruld blad.